Milieu,  Ontwikkeling

Islamitische verklaring inzake duurzame ontwikkeling

De Eerste Islamitische Conferentie van Milieuministers
gehouden in Jeddah
van 29 Rabia I tot 1 Rabia II (10-12 juni 2002)

– Overwegende Resolutie 11/9 E van de 9e Islamitische Topconferentie over het Milieu vanuit een Islamitisch Perspectief, waarbij de Islamitische Educatieve, Wetenschappelijke en Culturele Organisatie (ISESCO) was vertegenwoordigd – in samenwerking met het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en alle relevante internationale en regionale organisaties – ter voorbereiding van een actieprogramma uitgaande van de islamitische perceptie van milieu en ontwikkeling, te presenteren op de Milieutop in Johannesburg in 2002;

– In aanmerking nemende de resultaten van het Eerste Wereld Milieuforum vanuit een Islamitisch Perspectief gehouden in Jeddah, Koninkrijk Saoedi-Arabië, van 26 tot 28 Rajab 1412 (23-25 oktober 2000), de Verklaring van Jeddah opgesteld door het Forum, de Verklaring van Abu Dhabi inzake de Toekomst van de Zorg voor het Milieu in de Arabische Wereld (2001), de Verklaring van Rabat inzake Investeringsmogelijkheden voor Duurzame Ontwikkeling (2001) alsmede de Verklaring van Teheran inzake Religie, Beschaving en Milieu (juli 2001) en de Resolutie van het Oman Forum inzake Milieu en Duurzame Ontwikkeling (Muscat, december 2001);

– Verder overwegende Resolutie 11/28 E inzake het Milieu vanuit een Islamitisch Perspectief, aangenomen door de 28e Conferentie van Ministers van Buitenlandse Zaken (zitting over Vrede en Ontwikkeling) gehouden in Bamako van 4 tot 6 Rabia II 1422 (25-27 juni 2001), waarbij de hiervoor genoemde resoluties werden bevestigd en ISESCO de opdracht kreeg noodzakelijke contacten te leggen met de OIC-lidstaten en regionale en internationale organisaties met betrekking tot het houden van de Eerste Islamitische Conferentie van Milieuministers;

– Onder verwijzing naar de Arabische Verklaring inzake Duurzame Ontwikkeling uitgegeven door de Arabische Milieuministers (Cairo, oktober 2001) en de Afrikaanse Ministeriële Verklaring inzake Duurzame Ontwikkeling (Nairobi, november 2001), alsmede de Gezamenlijke Ministeriële Verklaring van de Uitvoerende Organen van de Arabische en Afrikaanse Raden van Milieuministers;

– Uitgaande van de islamitische benadering van het bevorderen van de menselijke waardigheid en het uitoefenen van zijn vertegenwoordigende rol op aarde door goede daden die leiden tot duurzame ontwikkeling, sociale solidariteit en zorg voor wezen en bezitlozen, opbouw van beschaving zonder uitbuiting of verwaarlozing en de organische relatie tussen de mens en de aarde in termen van coëxistentie en ontwikkeling;

– Met steun aan regionale en internationale inspanningen voor het verbeteren van de menselijke levensstandaard door duurzame ontwikkeling van sociale, economische, culturele, milieu- en gezondheidsaspecten met als doel het bereiken van een waardig menselijk bestaan in een stabiele omgeving;

– In overeenstemming met de algemene uitgangspunten van het onderzoek van ISESCO naar milieu, gezondheid en duurzame ontwikkeling als bijdrage aan de Milieutop te houden in Johannesburg van 26 augustus tot 4 september 2002.

Verklaart als volgt:

Artikel 1: Eer bewezen aan de mens

De mens is plaatsvervanger van Allah op aarde. Hem is opgedragen een beschaving op te bouwen en hij is verantwoordelijk gesteld voor het cultiveren en beschermen van de natuur. De moslim in het bijzonder is verplicht zorg te dragen voor het milieu in de ruimste zin van het woord en zich tot het uiterste in te spannen voor duurzame ontwikkeling ten bate van het welzijn van het individu en de gemeenschap.

Artikel 2: Verantwoordelijkheid van de mens

Het meest bemind door Allah zijn de vromen en de barmhartigen en het meest gehaat door Allah zijn degenen die onheil aanrichten op aarde. Barmhartig is iedere goede daad die aan iemand ten goede komt en de omgeving waarin hij leeft verzorgt, zoals een handeling van sociale solidariteit, een bijdrage aan het herstel van vrede en veiligheid of het uitbannen van armoede en werkloosheid, een poging tot het bereiken van recht en billijkheid door collectieve participatie in ontwikkeling vanuit religieuze, culturele en menselijke motieven.

Artikel 3: Milieu vanuit een islamitisch perspectief

De natuur is een gift van Allah aan de mens. De mens is zowel individueel als gemeenschappelijk verplicht zorg te dragen voor de natuur en haar hulpbronnen, waaronder lucht, klimaat, water, zeeën, flora en fauna, en af te zien van handelingen die vervuiling van of schade aan het ecosysteem tot gevolg kunnen hebben of tot verstoring van het natuurlijk evenwicht kunnen leiden.

Artikel 4: Mensenrechten en milieu

Het recht op onderwijs en een waardig leven zal worden erkend, alsmede het recht op een duurzaam, schoon milieu. De Staat en de gemeenschap zullen deze rechten waarborgen om individuen in staat te stellen tot het volle genot van het menszijn en bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van de omgeving. Vrouwen zullen worden erkend als volwaardige partners in het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

Artikel 5: Belangrijke hindernissen voor duurzame ontwikkeling

Ondanks belangrijke vooruitgang sinds de Verklaring van Rio de Janeiro op het gebied van milieu en duurzame ontwikkeling in islamitische landen, bestaan er voor veel van deze landen nog enkele hindernissen voor het implementeren van beleid en programma’s voor duurzame ontwikkeling. De belangrijkste daarvan zijn:

a. Armoede is verantwoordelijk voor veel gezondheids-, sociale, psychologische en morele problemen. Lokale, nationale en internationale gemeenschappen moeten zich beramen op ontwikkelingsbeleid en plannen ten aanzien van economische hervorming om deze problemen het hoofd te bieden door het scheppen van werkgelegenheid en het garanderen van natuurlijke, menselijke, economische en educatieve ontwikkeling voor de armste en minst ontwikkelde regio’s en het uitbannen van analfabetisme.

b. Schulden: overheidsschulden, natuurlijke rampen waaronder droogte, woestijnvorming en sociale onderontwikkeling als gevolg van onwetendheid, ziekten en armoede vormen belangrijke beperkingen voor het welslagen van duurzame ontwikkelingsplannen en benadelen arme gemeenschappen in het bijzonder en de internationale gemeenschap in zijn geheel. Eenieder is verplicht zijn bijdrage te leveren om deze moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden en de mensheid voor deze gevaren te behoeden.

c. Oorlogen, gewapende conflicten en bezetting door vreemde mogendheden hebben een schadelijk effect op milieu en veiligheid en vereisen wetgeving en afspraken ter voorkoming en bestraffing van vervuiling van het milieu, het kappen van bomen en het uitroeien van dieren, het respecteren van de waardigheid van gevangenen overeenkomstig internationale wetgeving, het verminken van slachtoffers en het vernielen van woningen, civiele infrastructuur en watervoorzieningen.

d. Overbevolking, met name in de steden van ontwikkelingslanden, en aantasting van de leefomstandigheden in krottenwijken en een toenemende druk op hulpbronnen, gezondheidszorg en sociale voorzieningen.

e. Aantasting en uitputting van natuurlijke hulpbronnen om te voldoen aan lokale productie- en consumptiebehoeften waardoor duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden wordt belemmerd.

f. Ontbreken van moderne technologie en technische expertise noodzakelijk voor de implementatie van duurzame ontwikkelingsprogramma’s en beleid.

g. Onvoldoende expertise in de islamitische landen om hun verplichtingen in verband met grensoverschrijdende milieuproblemen na te komen en te participeren in internationale oplossingsgerichte programma’s.

Artikel 6: Uitdagingen voor de 21e eeuw

a. Vinden van fondsen voor duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden en inspanningsverplichting van geïndustrialiseerde landen tot het ondersteunen van ontwikkelingslanden (tenminste 1,5 % van het BNP).

b. Ontwikkelen van ontwikkelings-, gezondheids- en onderwijsprogramma’s voor de minst ontwikkelde landen op nationaal, lokaal en regionaal niveau, en gedeelde verantwoordelijkheid van de relevante organisaties, waaronder ook begrepen zorg voor moeder en kind, het opbouwen van infrastructuur en faciliteiten, financiering van duurzame ontwikkelingsprogramma’s en het vormgeven van politieke instrumenten. […]

c. Bereiken van wederkerigheid en bevorderen van internationale en buitenlandse investeringen door het instellen van ongeveinsd partnerschap tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden en door meer en betere kansen op de internationale handelsmarkt via de Wereld Handels Organisatie.

d. Ontwikkelen van nieuwe financieringsmethoden voor het stimuleren van ontwikkelingsinspanningen in ontwikkelingslanden.

e. Overdracht van milieuvriendelijke technologie, bevorderen van wetenschappelijk onderzoek en bewustzijn op het gebied van duurzame ontwikkeling.

f. Behoud van cultureel erfgoed vanwege de betekenis daarvan voor duurzame ontwikkeling waar het de culturele identiteit […] van gemeenschappen […] versterkt en de spirituele en morele waarden die door de geopenbaarde religies worden uitgedragen bevordert met betrekking tot rechtvaardig handelen en sociale solidariteit.

g. Ophelderen van vooringenomenheid ten opzichte van islamitische landen als resultaat van maatregelen van de internationale gemeenschap voor het aanpakken van milieuproblemen en de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap in het verlenen van bijstand aan getroffen islamitische landen.

h. Mogelijk maken van volledige en effectieve participatie van de ontwikkelingslanden in besluitvorming en verbeteren van hun toegang tot internationale economische instituties, waarbij de mechanismen van de wereldeconomie transparanter en evenwichtiger worden gemaakt en meer in overeenstemming worden gebracht met de overeengekomen regelingen en voorschriften om ontwikkelingslanden in staat te stellen de uitdagingen van de globalisering aan te kunnen.

Artikel 7: Islamitisch perceptie van duurzame ontwikkeling

Administratief en juridisch management

a. Bereiken van rechtvaardigheid tussen volken en alle sociale partners volgens islamitische principes door middel van een rechtvaardig wereldsysteem dat regionale en internationale instituties in staat stelt hun taken uit te voeren en dat evenwichtige implementatie van internationale resoluties mogelijk maakt, bezetting door vreemde mogendheden beëindigt en internationale vrede en veiligheid waarborgt.

b. Opbouwen van een internationaal systeem voor administratief en juridisch management dat landen kan ondersteunen in het opbouwen van nationale systemen teneinde actieve participatie van alle sectoren van de maatschappij in planning en uitvoering van duurzame ontwikkeling mogelijk te maken.

c. Bereiken van rechtvaardigheid tussen volken en bevorderen van de rol van de instellingen van de Verenigde Naties, werken aan een klimaat waarin het mogelijk is eerlijke samenwerking tussen landen te bereiken door middel van een rechtvaardig systeem voor wereldhandel dat het huidige schuldensysteem dat de hulpbronnen van de ontwikkelingslanden uitput vervangt.

d. In internationaal verband beheersen van handelingen, beleid en gedrag dat het milieu en de mens negatief beïnvloedt en de ontwikkeling van individuen en groepen beperkt, waaronder het doden van mensen, het vernietigen van woningen, het bedreigen van natuurlijke hulpbronnen, het vervuilen van het milieu met dodelijke wapens, het uitputten van waterbronnen, het doelbewust schenden van internationale wetgeving en universeel geaccepteerde gebruiken en het inzetten van natuurlijke hulpbronnen voor onverantwoord consumptief gedrag.

e. Het opleiden van rechtschapen jongeren met verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van het milieu en het in ere houden van religieuze en morele waarden die het gezin en de samenleving bijeenhouden, en hen beschermen tegen extremisme en discriminatie wegens ras, religie en cultuur.

bron: http://www.isesco.org.ma/pub/Eng/Sust_Dev/P7.htm